Rainer Kersten


}
Frankfurter Buchmesse
Gastland 2016
EN NL DE

Rainer Kersten

Geboren 1964 in Bebra (in het Noorden van de deelstaat Hessen), 1986 acht maanden avontuurlijke confrontatie met het tweetalige Brussel, 1986-1993 Studie Nederlandse en Duitse Letteren in Berlijn (FU), 1989-1990 in Amsterdam. Sinds 1995 freelance vertaler van literatuur, mentor en beoordelaar van vertalingen en boeken voor instituties en uitgeverijen.

"Ik voel me geïntrigeerd door literatuur die een ruige toonval met literair cachet en een gevoel voor de schoonheid van taal en poëzie weet te verbinden en die zich tevens betrokken voelt bij kwesties die van maatschappelijk belang zijn. De kunst van een vertaling bestaat er voor mijn gevoel  daarin om al deze elementen zo goed mogelijk over te brengen en daarbij zowel trouw te blijven aan het origineel en het filologisch nauwkeurig te analyseren alsook een evensoortig effect op de Duitse lezer te bereiken. Ik vertaal voor enthousiaste en geoefende lezers."

Rainer Kersten werd bekroond met de Else-Ottenprijs, en vertaalde naast Dimitri Verhulst werk van Arnon Grunberg, Marek van der Jagt, Tom Lanoye en Ilja Leonard Pfeijffer.

Onlangs vertaald in het Duits

Rainer Kersten over de eerste zinnen van Dimitri Verhulsts De laatkomer.

Rainer Kersten vertaalde Dimitri Verhulsts De laatkomer als Der Bibliothekar der lieber dement war als zu Hause bei seiner Frau. Wij vroegen hem om zijn vertaling toe te lichten.

"In het najaar van 2013 mocht ik De laatkomer van Dimitri Verhulst vertalen voor uitgeverij Luchterhand in München. Sinds De helaasheid der dingen heb ik al zijn in Duitsland aangekochte boeken naar het Duits mogen overbrengen, maar ook dit boek stelde me voor weer nieuwe uitdagingen, vooral op het gebied van vocabulaire in de geriatrische verpleging. Die details lijken me voor de lezers van deze rubriek echter weinig interessant, want meer technisch van aard; interessanter is dan misschien wel de specifieke uitdaging van Verhulsts stijl voor de vertaler in het
Duits.

Verhulstiaans

Verhulsts stijl is duidelijk poëtisch, al is het geen poëzie van het type ‘rozengeur en maneschijn’; hij is ruiger van aard en gebruikt een mengeling van modern, alledaags Nederlands, archaïsmen en zelden gebezigde woorden, afgewisseld door neologismen en een enkele kwinkslag in de volkstaal. Verhulst zelf zegt dat alle door hem gebruikte woorden gewoon in de Van Dale staan, maar even tussen uw computerscherm en mij, dat klopt niet helemaal, tenzij je er alle oplagen sinds pakweg 1880 bij neemt. (Voor veel woorden moest ik toch gewoon verschillende native speakers of het WNT raadplegen.) Wél waar is dat – op een enkele zin in de directe rede na – geen enkele door hem geschreven passage als Vlaams of Aalsts of wat dan ook bedoeld is.
Voor mezelf ben ik zijn taal dan ook maar ‘Verhulstiaans’ gaan noemen. Dialect – altijd al een hachelijke zaak in vertalingen – heb ik in mijn vertalingen van zijn werk dan ook nauwelijks gebruikt. (Wel heb ik in gesproken passages van De helaasheid der dingen af en toe gebruik gemaakt van een soort kunst-Nederrijns, maar al met al is Verhulst in zijn boeken tot nog toe toch meer een man van beschrijvingen en commentaar dan van dialogen.) Wat lezers in Nederland dan veelal zo ‘leuk Vlaams’ aan zijn taalgebruik vinden, is dus volgens mij in ieder geval niet de bedoeling van de auteur en kan dus ook niet de inzet zijn van een vertaling.

Twee alinea’s

Om een en ander te verduidelijken, neem ik de vrijheid het niet bij de eerste zin te laten, maar de eerste twee alinea’s te behandelen:

"Ik steek de Styx over en neem mee: een tube tandpasta (voor de zottigheid)..."
"Ich gehe über den Styx und packe ein: eine Tube Zahnpasta (kleiner Scherz am Rande) ..."

Ik heb de eerste opvallende uitdrukking in De laatkomer, ‘voor de zottigheid’, dus gewoon vertaald als wat het volgens mij is, een wat droge, spreektalige toevoeging om aan te geven dat het om een grap gaat (wat zou je in het hiernamaals met een tandenborstel moeten?), ‘kleiner Scherz am Rande’ dus, zoals je dat in het Duits ook gewoon wat ironisch tegen een gesprekspartner zou kunnen zeggen.

Erg belangrijk in de tweede alinea leek mij vooral de cadans. Een recensie had mij op het spoor gebracht van het feit dat die zinnen zelfs de sfeer oproepen van de eerste regels van À la recherche du temps perdu: ‘Longtemps je me suis couché de bonne heure..’ enzovoorts. In beide gevallen begint de verteller met een beschrijving van zijn nachtrust om dan snel door te gaan met zijn ‘eigenlijke’ verhaal, dat wil zeggen, wat er aan het beschreven nachttafereel voorafging. Of Verhulst nu zelf aan Proust gedacht heeft of niet, het is hem volgens mij in ieder geval gelukt even prachtige zinnen te schrijven, met een heerlijk, soms ingewikkeld ritme en een al even mooie klankstructuur.

"Hoewel volkomen opzettelijk, is het zeer tegen mijn zin dat ik iedere nacht opnieuw in mijn bed schijt. Mij te verlagen tot deze zelfonterende daad is waarlijk de lastigste consequentie van de ietwat zotte levensweg die ik op mijn oude dag ben ingeslagen. Maar ik zou mijn verplegers en verpleegsters achterdochtig stemmen indien ik het in mijn slaap drooghield."

"Obwohl die Tat selbst vollkommener Absicht entspringt, geht es mir sehr gegen den Strich, dass ich jede Nacht wieder ins Bett scheiße. Mich zu dieser entwürdigenden Aktion zu erniedrigen ist wahrlich die unangenehmste Konsequenz des ziemlich verrückten Wegs, den ich auf meine alten Tage gewählt habe. Doch ich würde das Pflegepersonal misstrauisch machen, wenn ich mein Nachtzeug unbeschmutzt ließe."

Het ‘Hoewel volkomen opzettelijk’ mocht dus volgens mij in het Duits gerust wat langer (‘Obwohl die Tat selbst vollkommener Absicht entspringt’), als het geheel maar een verzorgde, mooi swingende zin werd, met dan, als drol op de taart, het ‘schijt / scheiße’ op het einde. Om de tekst liever niet met een onderwerploze bijzin te beginnen en dus hier ‘die Tat’ uit de volgende zin binnen te smokkelen, was natuurlijk mijn eigen keuze (zelfs een wat ingewikkelde, want daardoor was ik meteen verplicht een synoniem voor ‘daad’ te verzinnen), maar het volgde in het Duits volgens mij toch meer het beoogde stijlniveau. Bovendien zou een letterlijke vertaling van ‘Hoewel volkomen opzettelijk’ (‘obwohl vollkommen absichtlich’) in het Duits een nog merkwaardiger tegenstelling tot ‘tegen mijn zin’ vormen dan
volgens mij in het Nederlands het geval is.

Het ‘zotte levensweg’ in de ‘eigenlijke’ tweede zin (‘Mij te verlagen tot deze zelfonterende daad is waarlijk de lastigste consequentie van de ietwat zotte levensweg die ik op mijn oude dag ben ingeslagen’) werd om bovengenoemde reden gewoon ‘des verrücken Wegs’ – een ‘levensweg’ kun je in het Duits alleen maar in je jonge jaren inslaan, als ironie was het woord ook niet over te brengen, en dus werd het – misschien ietwat genormaliseerd – een ‘Weg’, want die kun je in het Duits te allen tijde inslaan, al sta je tien centimeter van het graf. Voor 'zot' dus hier ook geen ongebruikelijk of dialectaal woord in het Duits.

Het ‘droog houden’ uit de laatste zin van de alinea heeft in het Duits jammer genoeg geen rechtstreekse tegenhanger. Hier heb ik de ‘omgangstalige’ manier van zeggen opgekrikt tot een wat archaïsche uitdrukking (‘mein Nachtzeug unbeschmutzt ließe’) die, al zeg ik het zelf, in een Duitse Proust-vertaling qua register niet zou misstaan, en dat in een latere passage gecompenseerd door een Duitse uitdrukking uit de omgangstaal te gebruiken

Een late titelingeving

Ten slotte nog even over de lange Duitse titel: titels worden in Duitsland, net als in Nederland, doorgaans door de uitgeverij bedacht (als de letterlijke vertaling niet meteen ook de beste is, en zelfs dan ...). In dit geval moet ik de uitgeverij nageven dat de letterlijke vertaling van de titel (‘Der Nachzügler’) alleen maar aan een ‘nakomertje’ in de familie zou doen denken. (Een begrip dat gewoon ‘iemand die te laat komt’ betekent, hebben we in het Duits niet, tenzij een als heel technisch-lelijk ervaren constructie met een onvoltooid deelwoord ‘Der Zuspätkommende’.)

De wat modieuze keuze voor de hele lange titel had in het oeuvre van Verhulst dan tenminste een precedent in de al bijna even lange Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten. Pas op de dag dat me was meegedeeld dat ik voor deze vertaling de Else-Ottenprijs zou ontvangen schoot me tijdens een wandeling opeens een even verantwoord als bondig alternatief te binnen, namelijk ‘Spätzünder’. De letterlijke Nederlandse vertaling hiervan, ‘laatbloeier,’ heeft een positievere connotatie dan het Duitse woord, want aan de ‘Spätzünder’ kleeft ook iets doms: iemand die dingen – hier dus: zijn wensen en ware gevoelens – altijd en overal te laat in de gaten krijgt. En dat zou voor het hoofdpersonage van De laatkomer inderdaad ook kunnen gelden. Maar ja, dit inzicht kwam dus – misschien wel heel toepasselijk – ook van mijn kant – te laat..."